Op de kop getikt
Diagnose: Whiplash
Je leidt een dynamisch leven en opeens ben je tot niets meer in staat. Dit overkomt Paulien Bom, die aan een val een aantal hardnekkige beperkingen overhoudt. Aanvankelijk voelt ze zich overweldigd door een totaalpakket aan klachten en weet ze niet wat ze zelf kan doen om beter te worden. Thuiszitten verlamt, sterke kanten blijken opeens valkuilen en haar zelfvertrouwen lijkt met de val ten onder te zijn gegaan.
Met het verstrijken van de tijd gaat ze zich steeds meer afvragen waarom ze de grip op zichzelf is kwijtgeraakt. Ze reflecteert over kwetsbaarheid, tijd, hoop en de schijnzekerheid van een diagnose. Ze herdefinieert de waarde van geluk, ontdekt de negatieve effecten van dus-denken en vergelijkt zichzelf soms met een geit aan een touw.
Op de kop getikt is een aangrijpend verhaal over het omgaan met tegenslag, vol humor en relativeringsvermogen en op momenten adembenemend eerlijk.
Fragment
De ochtend van 19 juni 2002 ben ik er extra op gebrand de trein te halen. Ik moet in Amsterdam een groot pakket afleveren, daarna wacht me een dag vol afspraken en ik kan me niet permitteren te laat te komen.
Ik ben in Driebergen in de trein gestapt en we rijden Utrecht binnen. Ik sta pal vooraan bij de deur, de ingeklapte vouwfiets aan de rechter-, het touw van het pakket in de linkerhand. De trein naar Amsterdam staat aan de overkant van het perron. Ik stap als eerste uit en zet het op een rennen. Mijn fiets trek ik achter me aan. Ik bevind me voor in de kudde perrondravers, maar dan opeens, halverwege – pats, daar lig ik. Ik voel mijn tanden over het perron schrapen. Shit!
‘Mevrouw, gaat het?’ hoor ik. Ik krabbel zo snel mogelijk overeind; mijn val heeft niets om het lijf. Ik schaam me en wil me uit de voeten maken. ‘Ja hoor, het gaat.’ Broek stuk? Nee. Doos mee, fiets mee, naar de trein die er gelukkig nog staat. Op het balkon is nog een klapstoeltje vrij. Fiets aan de ene kant, pakket op schoot, even bijkomen.
‘Gaat het mevrouw?’ Weer die vraag. Het meisje tegenover me kijkt me bezorgd aan en zegt: ‘U viel wel heel hard hoor, ik schrok me rot. Het was een akelig gezicht. Zal ik de conducteur waarschuwen? ’ Ik knik wat, en nee, die conducteur hoeft echt niet, of ze op mijn spullen wil letten, dan ga ik even naar de wc om mijn lip te deppen.
De trein rijdt. Ik sta voor de spiegel in een morsig toilet. Mijn lip bloedt een beetje, maar verder zie ik niets aan mijn gezicht. Dat valt mee. Dan voel ik het gruis in mijn mond. Gruis? Vreemd, aan dat tandenschrapen heb ik geen moment meer gedacht. En ook niet aan het feit dat dat wel eens consequenties voor mijn gebit zou kunnen hebben. Ik doe mijn mond open en zie maar één voortand. Van de ander is maar een klein, gekarteld stuk over. Ontredderd ga ik terug naar mijn spullen. Ik spreek mezelf moed in. Even bijkomen en de tand laten repareren, meer is er niet aan de hand. Maar de eenvoud van deze bezwerende tekst staat niet in verhouding tot het geklutste gevoel waarmee ik in de trein zit. Zal ik naar huis gaan? Ik bel op mijn mobiel met de tandarts, maar aangezien ik geen pijn heb hoef ik niet direct te komen, die tand is volgens hem toch niet meer te redden. Ik maak een afspraak voor de volgende dag en besluit gewoon naar mijn werk te gaan. Als ik mijn bovenlip over de gebroken tand heen trek ziet niemand iets aan me. ‘Besluit’ is overigens niet het goede woord; ik ga gewoon koppig door met wat ik op mijn agenda heb staan. Een jongen, die al vanaf Utrecht naast mij zit te lezen hoort me sniffen en vraagt: ‘Lukt het niet?’ Hij is veel te aardig, en dat veroorzaakt nog meer gesnotter. Hij geeft me een tissue, wenst me sterkte en gaat bij Duivendrecht de trein uit.
Ik reis door naar Centraal en lever op het Rokin de doos af bij een vriend die over twee uur naar Sint-Petersburg vliegt en het pakket daar aan zoon Arnaud zal overhandigen. Er zit een betaalpasje in en verder een vracht moederliefde, vertaald in lekkere dingen, een paar goede boeken en kranten. Arnaud belde een paar dagen geleden op. Hij vertelde dat hij met zijn busje tot vlak bij de Russische grens was gekomen, maar dat hij nu onze hulp nodig had. Zijn geld was op, en geld opnemen lukte niet omdat zijn pasje gestolen was. Hij had nog een paar munten om over de grens te komen, maar of dat genoeg was wist hij niet; bovendien had hij niet zoveel benzine meer in de tank, maar hij waagde het erop. Of wij een nieuw pasje naar zijn logeeradres in Sint-Petersburg konden sturen. Dat was wat we ervan konden verstaan, want de lijn was slecht en het gesprek werd abrupt afgebroken. Vervolgens hoorden we een etmaal niets van hem, maar wel van de Russische gastvrouw die zich bezorgd afvroeg waar hij bleef. Stress en een slapeloze nacht waren ons deel; we wisten te veel en te weinig. Gisteren hebben we gehoord dat het hem gelukt is om zonder smeergeld te betalen over de grens te komen, maar dat hij een hele nacht als een analfabeet, want het Russische schrift maar zeer ten dele machtig, door Sint-Petersburg heeft gezworven, op zoek naar zijn logeeradres.
Ik wens de vriend een goede reis. Het is een prettig idee dat hij Arnaud over een paar uur zal ontmoeten. Dan ga ik naar mijn werk op het consultatiebureau. Ik stort me op vragen over borstvoeding, groentehapjes, vaccinaties en slaapproblemen en ga op de fiets langs een pasgeborene. Er zijn ouders die vragen wat er met me is, maar deze vragen doe ik kort af, want tranen kan ik nu niet gebruiken. Om drie uur stuurt de arts met wie ik samenwerk mij naar huis. Hij heeft voor yoghurt bij de lunch gezorgd zodat ik wat naar binnen kan slurpen, maar daar ben ik niet echt van opgeknapt. Hij vindt mijn stem raar hoog klinken en geeft de assistente de opdracht om de rest van de afspraken af te bellen. Om vijf uur heb ik nog een afspraak die al vaker verzet is, en aan mijn stem kan ik niets vreemds ontdekken, dus ik wil blijven. Maar er blijkt niet veel overredingskracht nodig te zijn om me over te halen – ik ga naar huis.
In de trein terug reconstrueer ik nog eens mijn smak op het perron. Ik denk dat mijn fiets achter een blindenrichel is blijven hangen. Ik heb mijn val waarschijnlijk op geen enkele manier geremd omdat ik dat pak en die fiets vasthield. Mijn knieën en handen zijn ongehavend, zelfs aan mijn broek is niets te zien. Ik heb ook niets aan mijn neus, dus de hele klap is op mijn mond terecht gekomen; niet zo gek dat mijn tand gebroken is en dat ik me zo door elkaar geschud voel. In Utrecht kijk ik nog even of ik mijn tand zie liggen, maar dat is niet te doen. Te klein en onopvallend voor een groot perron in vlekkerige grijstinten.
Ik ben niet meer terug geweest op mijn werk, behalve om er twee jaar na mijn val afscheid te nemen.