Dagboek Petra Top, 7 juli 2008
7 juli 2008
Is één van de volgende stellingen juist?
1 Kanker bestaat niet.
2 Ik voel me vaak veel beter dan ik laat zien.
De laatste fase van het schrijven aan mijn boek is aangebroken. Hoofdstukken die klaar zijn, controleer ik op onnozele typfouten via de spelling- en grammaticacontrole van Microsoft Word. ‘Kanker bestaat niet!’ riep de computer gisteren. ‘Dat moet “anker”, “kakker” of “mankeer” zijn.’ Hoe grappig die laatste ook is, moeten we nu het kankerfonds opdoeken en iedereen die aan de chemo zit (wat trouwens “gemok” moet zijn) vertellen dat ze niets mankeren? Jammer genoeg bestaat kanker wel, dus stelling 1 is lariekoek.
Vroeger dreef ik mijn moeder vaak tot wanhoop, want zodra onze huisarts binnenkwam hees ik mezelf ijlend van de koorts overeind en toverde een glimlach op mijn gezicht. ‘Ze is doodziek hoor, dokter. Echt waar.’ Mezelf ophijsen doe ik nog steeds, hoe allerbelabberdst mijn toestand ook is. Vorige week belde ik zwaaiend op mijn benen bij een hoogbejaarde kennis aan, terwijl ik iedere druppel energie nodig had voor mijn boek. Maar hij ging door een zware periode en ik wilde hem laten weten dat ik aan hem dacht. Na een half uur steun betuigen zei ik: ‘Ik moet gaan, want ik voel me niet goed.’ Zijn verbijsterende antwoord was: ‘Jij voelt je vaak een stuk beter dan je laat blijken, hè? Is het psychosomatisch wat je hebt?’ Verbale klappen raken me altijd harder aan dan echte, zeker wanneer ze worden uitgedeeld door iemand waarvan ik het niet verwacht. Stelling 2 is niet alleen krenkend, juist het tegendeel is waar.
Waarom wordt ziek zijn op jongere leeftijd door sommigen zo gemakkelijk op aanstelleritis of psychisch onwelzijn gegooid? Is het dan minder bedreigend? Kunnen ze dan denken: dat zal mij zeker niet overkomen? Drie maanden geleden - toen ik qua energie onderuit ging en er een plekje op mijn lever gevonden was – vroeg een dorpsgenote: ‘Heb je al hulp van iemand die ervoor heeft geleerd?’ Ze bleek te doelen op een zielenknijper. Ik sloeg terug door te zeggen dat ik misschien een uitzaaiing had, maar mijn leedvermaak smaakte bitter. Kreeg ik na tien jaar ME/CVS iets dat door de buitenwereld serieus genomen werd, gooiden ze het weer op die eeuwige bovenkamer. Is één borst, een gammele arm, vervroegde overgang, medicijnen waar ik ziek van word, een warrig hoofd (toch die bovenkamer) en een onzekere toekomst nog niet genoeg? Moet ik nu ook nog gaan hinken? Mijn mondhoeken laten hangen? Ik dacht het niet.
Als ik me namelijk echt zou gedragen naar hoe ik me voel kwam ik de bank niet af, keek ik altijd zorgelijk en schreef ik zeker geen boek. Wilskracht is mijn drijfveer. Ziek zijn beperkt mijn leven al enorm en ik kan het me niet veroorloven om stil te staan bij hoe slecht ik me daadwerkelijk voel. Want zodra ik dat doe, dringt een alles omvattende ellendigheid tot me door, die eindigt in één onvermijdelijke gedachte: moet ik zo misschien nog veertig jaar door? Die gedachte laat ik niet toe, want de bijbehorende put is onnoemelijk diep. Daar ga ik niet in. Hoe hard onbegrip me soms ook raakt.