Dagboek Petra Top, 21 april 2008

21 april 2008

Jaren geleden reed ik op mijn motor met zijspan. Ik nam een scherpe bocht naar rechts, maar de bak kwam omhoog en de motor ging rechtdoor. Ik ramde een auto, net op het moment dat ik dacht: nu heb ik het zijspanrijden onder de knie. Dat gebeurt me ook met regelmaat in het leven zelf. Na de kanker heb ik veel dingen veranderd en nog niet zo lang geleden dacht ik: volgens mij heb ik het leven nu aardig onder de knie. Vol enthousiasme werkte ik aan mijn boek. Ook ging ik op zoek naar een nieuwe lief en voerde gesprekken met een plastisch chirurg. Tussen alle oude en nieuwe activiteiten, het broodnodige rusten en medische afspraken door probeerde ik een schrijfritme te vinden. Ik beleefde niet alleen avonturen op relatieplanet, ik legde ze ook in woorden vast, net als mijn overwegingen in het kader van laat-ik-een-nieuwe-voorgevel-bouwen-of-niet. Daarnaast bewerkte ik stukken tekst uit mijn borstkankerdagboek, die ik als terugblikken gebruik in mijn boek. Als lezer van dit stukje zie je het vast eerder aankomen dan ik in het echt: dat ging allemaal uiteraard niet goed.

Ik dacht: nog even dit, nog even dat en direct na mijn verjaardag doe ik wel rustig aan. Net een jaar ouder en hopelijk ook wijzer, legde ik mijn benen op tafel en dacht: ontspannen maar. Niet dus, want mijn hoofd was als een flipperkast op tilt. Mijn inwendige veer was zo strak opgedraaid, dat ik niet eens wist waar ik mijn rust zoeken moest. Uitgeput, maar opgejaagd hing ik op de bank. Ik moet schrijven! Mijn boek moet af! Dat waren mijn enige – zeer onmeditatieve – gedachten. Murphy’s law trad in werking. Tijdens de jaarlijkse mammografie werd een ontstoken klier in mijn linkerborst zodanig gekraakt, dat zowel de verpleegkundige als ik wit wegtrokken toen ik snikkend bijna van m’n stokje ging. Een paar dagen later sneed ik met m’n tollende hoofd tijdens het koken een stuk van mijn vingertop. Daarna verbrandde ik mijn bovenlip aan een gloeiendhete tomaat die net uit de oven kwam. ‘O ja, mijn lever doet al een paar weken pijn,’ zei ik de volgende dag tegen mijn huisarts, toen die in verband met mijn vingertopamputatie een tetanusinjectie plaatste in mijn bil. Er werd een echo aangevraagd, waaruit bleek dat ik iets op mijn lever heb. Een CT-scan volgde. De uitslag: het lijkt een adenoom, een goedaardig gezwel van een millimeter of zes. Het ‘lijkt’ goedaardig, niet ‘is’. Dat heb ik eerder gehoord, bijna drie jaar geleden. ‘Het is waarschijnlijk niets.’ Toch bleek het toen om een kwaadaardig lid van de familie knobbels en gezwellen te gaan: een carcinoom, oftewel kanker. Dus mijn volgende afspraak is er één mijn specialist, want deze uitslag stelt me niet gerust.

Op advies van mijn huisarts heb ik deze week de in mei geplande borstreconstructie afgebeld. Met pijn in mijn hart, maar ik voel me te uitgeput en ziek. Ook mijn profiel op relatieplanet heb ik gedeactiveerd. En ik? Ik houd de moed erin. Ik laat mijn paniek over het het feit dat ik momenteel niet aan mijn boek kan werken los, want ik weet dat dat nodig is om straks weer verder te kunnen gaan. Ik zie deze ‘onderuitgang’ als een wijze les en gebruik deze tijd om me te bezinnen. En als mijn angst over dat kleine plekje op mijn lever de kop op steekt, dan houd ik me voor dat het gewoonweg niet kwaadaardig kan zijn. Er is namelijk nog zoveel te leren. Ik heb de kunst van het leven nog lang niet onder de knie.

Waardeer dit artikel