Dagboek Petra Top, 16 juni 2008
16 juni 2008
Er was eens een man die een ernstige verwonding had gehad. Als er iemand in zijn buurt liep te klagen, wees hij naar z’n litteken en zei: ‘En dit dan?’ Ook ik heb af en toe die neiging, maar doe het alleen als iemand het wel erg bont maakt in de zelfmedelijdenhoek. Dan laat ik fijnzinnig merken dat je nooit weet wie je tegenover je hebt. Het kan namelijk altijd erger. Toen ik ziek werd, heb ik me dan ook nooit afgevraagd: waarom ik? Eerder andersom. Een zesjarig kind dat dood gaat aan leukemie had graag mijn leeftijd willen bereiken, zelfs met borstkanker en het chronisch vermoeidheidssyndroom.
In de ‘En dit dan?’-wedstrijd kun je maar beter zo laag mogelijk scoren. Ik heb aardig prijs, maar ik had geen uitzaaiingen en mijn kanker was goed te behandelen. Ik word dan ook regelmatig overtroefd. Zoals nu, door iemand die me dierbaar is en bij wie tijdens een onderzoek naar vermeende nierstenen uitzaaiingen in zijn lever gevonden zijn. Waar zijn hevige pijn vandaan komt, is nog altijd niet bekend. Dan denk ik: wie ben ik om een boek te schrijven waarin staat dat je altijd keuzes hebt? Dat je ondanks kanker positief in het leven kunt blijven staan? Maar klopt die gedachte eigenlijk wel? Als ik denk dat ik mijn verhaal niet mag vertellen omdat er iemand is die het erger heeft, dan zou ook diegene zijn mond niet open mogen doen. Dat recht zou enkel toebehoren aan degene die helemaal bovenaan de ‘En dit dan?’-ladder staat. Want uiteindelijk is er maar ééntje in de hele wereld zijn het het aller-allerergste heeft. De stakker.
Het doet er niet toe wie het erger heeft, wat je prognose is, wat je mankeert en óf je überhaupt iets mankeert. Wel is het belangrijk hoe je in het leven staat, ongeacht wat je overkomt. Hoe je omgaat met alledaagse, kleine dingen. Jij bepaalt namelijk wat je doet met de tijd die je nog rest. Of het nu honderd jaar is of één. Dat is wat ik in de afgelopen jaren heb ontdekt en dat is waarover ‘De amazone’ gaat. Mijn wens uit dagboekfragment drie is trouwens al uitgekomen. Ik hoopte toch voor iemand dat rolmodel te kunnen zijn waar ik destijds zelf zo naar heb verlangd? Een vrouw uit Duitsland had net de diagnose borstkanker gekregen toen ze mijn foto’s zag. Ze dacht: als zij er na de amputatie van haar borst nog altijd vrouwelijk en zelfverzekerd uit kan zien, kan ik dat ook. Haar wens is nu dat mijn boek ook in het Duits zal worden vertaald. Zo’n twee maanden geleden mailde ik Cathy, mijn Belgische ziekenhuismaatje uit 2005. Ik schreef dat mijn boek zou worden uitgegeven en dat zij erin voorkwam. De dag erna kreeg ze te horen dat ook zij borstkanker had. ‘Ik houd jou gewoon voor ogen,’ schreef ze, ‘dan kom ik hier wel doorheen.’ Deze vrouwen zijn het levende bewijs dat niemand ooit moet denken: wie ben ik? Hun getuigenissen stimuleren me juist om door te gaan (met een rood hoofd en opgetrokken schoudertjes terwijl ik als een gek probeer mijn deadline te halen). Bescheidenheid kan een mens misschien sieren, maar daarmee is ook alles gezegd. Je helpt er namelijk niemand mee.