Hok van het slot

Hok van het slot

De dierenliefde van Wieke Biesheuvel

Hoe moet dat eigenlijk, een dier liefhebben? Weten we genoeg van het door ons gekozen huisdier om het op de juiste manier te koesteren? En als we vlees eten, denken we dan wel eens na over de herkomst van het dier waar het vlees omheen zat? Hok van het slot van Wieke Biesheuvel gaat over dierenliefde in alle soorten en maten.

Fragment uit Hok van het slot

Fragment uit ‘Katten’:

Als ik bedenk waarom steeds maar weer, jaar in jaar uit, katten ons huis binnen werden gedragen, is de oorzaak vaak te vinden op het emotionele vlak. Liefdesverdriet, eenzaamheid of een verhuizing waar ik geen zin in had. Allemaal legale redenen om mezelf te troosten met een kat aan wie mijn liefde goed besteed zou zijn. Liefde voor de omkoopkat, de adoptiekat, de van meerdere wallen etende kat en nog meer exemplaren die lang of wat korter deel uitmaakten van mijn altijd wel enerverende huishouden, of ik nu alleen woonde of later met man en nog weer later met kinderen en ander huisvee.
Het aardige van katten is dat ze allemaal een uniek en uitgesproken karakter hebben. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze onafhankelijk zijn ingesteld en ze doen precies waar ze zin in hebben. Een hond kun je roepen en als je opvoeding een beetje heeft willen lukken, komt hij. Een kat luistert naar je, maar denkt: ik heb hier nu even geen zin in en ook geen tijd voor – ik ga straks wel. Dat spreekt me erg aan, omdat ik ook zo in elkaar steek. Ik haat het als een ander mij vertelt wat ik moet doen of laten. Je kunt een kat (en mij ook) zeker iets leren, maar als het dier denkt: ze kijkt nu niet, dus ze is er niet…, heb je het nakijken met je leermomenten. Dan neemt de kat alsnog een hap uit de gehaktballen die je net op het aanrecht hebt gezet om wat af te koelen. Uit elke bal één hapje, ook zoiets wonderlijks. ‘Neem er dan één helemaal, klojo!’

Fragment uit ‘Woestijnratten’:

Vroeger thuis had mijn broer kalkoenen en hij kon zo goed met ze communiceren dat je niet wist wie er kalkoenenlawaai maakte, hij of de kalkoenen. Hij imiteerde hun geluiden als een volleerde kalkoen. Mijn moeder was niet zo van de huisdieren. Een dier hoorde buiten, vond ze, dus de kalkoenen hadden haar zegen. Voor honden was ze bang en poezen beslopen je zo geniepig. Op de boerderij waar mijn vader woonde, bewaakte de Duitse herder Herta huis en haar en zij had het altijd voorzien op mijn moeders benen als ze daar om de week de zondag doorbracht tijdens hun verloving. Er sprong zelfds een aapje door de keuken van de boerderij, ooit meegebracht door een zeevarende neef. Toen kon dat nog, vragen of zeelieden een aapje voor je mee wilden nemen. Op de boerderij van mijn opa kon alles en die aap liep niemand in de weg. […] Waarom vertel ik dit? Om aan te geven dat het boeren-gen zo nu en dan opduikt in mij en mijn familie- en gezinsleden. Wij houder ervan ons te omringen met planten en dieren. Ook al pakt dat laatste niet altijd even gelukkig uit.

Waardeer dit artikel